VVB - Vlaamse Volksverhalenbank
Terug naar de startpagina Wat is een sage? Achtergrond bij dit project Medewerkers Interessante links
Zoekscherm Wat is narratologie? Doelstellingen VVB Terminologie Contact
 
- Vlaamse Volksverhalenbank -

Verhaalfiche
ID: 2863
Nummer: MDREE0435-0436
Type: 4. Historische sagen
Omschrijving: Hoe de bokkerijders van Ulbeek aan hun einde kwamen
Verhaalopbouw: De koster kwam regelmatig kaarten op een hoeve in Ulbeek. Vooraleer hij vertrok zei de koster altijd: "Moge de hemel u behoeden voor bokkenrijders!" Op een nacht hadden de bokkenrijders echter toch ingebroken bij de boer. Toen de boer de volgende dag door het bos wandelde, zag hij de koster en zijn vrouw daar een kalf slachten. Vreemd genoeg had het kalf dat bij de boer was gestolen, precies dezelfde kleur. Op een nacht ontdekte de boer de plaats waar de koster samen met de andere bokkenrijders het kalf zat op te eten. Toen de boer alles aan de pastoor had verteld, was de geestelijke uiterst verbaasd; de koster was immers een zeer vrome man. Wanneer de pastoor de koster aan de tand voelde, reageerde ook die erg verbaasd. Kort daarop namen de bokkenrijders wraak. Ze sneden de koeherder van de hoeve de keel over en sloegen de knecht dood. Daarna gooiden ze de ramen stuk en sloten ze de mensen op in de kelder. De grootvader werd met zijn voeten boven het vuur gehouden, waarna de bokkenrijders al zijn nagels uittrokken opdat de man zou bekennen waar het geld lag. Toen de rovers in de kelder het geld gingen halen, zagen ze daar een kindje in een wieg liggen. Hoewel ze aanvankelijk van plan waren om het arme kind op te hangen, hebben ze het kind toch ongedeerd gelaten. Nadat de bokkenrijders de hoeve hadden verlaten, hebben dertig mensen uit het dorp de hoeve van de koster omsingeld. Daar heeft men alle bokkenrijders vermoord.
Verhaal: In een wenning (= hoeve) in Ulbeek jonden (= werden) ze overvallen van de Bokkerijers. De köster kwam doa altijd tuisen (= kaarten) 's avonds, en aster wegging, dan maogdeter (= maakte hij) e kruis en zei: 'Moge de hemel oech (= U) bewaren van de Bokkerijers!' Mè de boer vond dat zo aodig (= zonderling). Hij wandelde eens door de bossen, en toen zager de köster en zijn vrouw; ze waren e kalf aan 't slachten. Mè bij de boer was e kalf weg uit de stal, en he dach(t): 'het he(ef)t bekans d'eigeste (= dezelfde) kleur.' 's Avonds haaldeter het vel uit de grond. Mè 's nach(t)s gingen altijd twie en twie mannen met de köster in, en dat duurde tot aan de möregend aan. Ee(r) ze ingingen hadden ze e wach(t)woord wa ze moesten zeggen. Mè die boer jonde (= werd) zo strand (= kloek) dat er ging loeren, en toen zagter ze doa allemaal eten; ze waren dat kalf aan 't inspelen! Mè de man liet dat zo... Hij had het al eens tegen de pastoor gezegd, en die was verwonderd; hij zei 'dat is bijna onmogelijk, die man is té braaf!' De pastoor vertelde het tegen de köster, en die was ook verwonderd...Mè dat waren Bokkerijers, die sneden de vatsji (= koeherder) de keel over noa twalef uren, en de knech(t) sloegen ze dood. Ze begonnen te schieten en met stein (= stenen) gooiden ze de heel ruiten en vinsters kapot. Ze hebben de minse in de kelder gezatte (= gezet) en alle geld genomen. Hun grootvader hebben ze met de vüjt (= voeten) over het vuur gehouden en zijn nagels uit zijn tenen getrokken voordat (= opdat) er zou bekennen bo 't geld lag. Op 't leste he(ef)t er bekend, en in ene kroeg (= kroes) in de kelder onder den trap hebben ze het heel goud(en) en zilver(en) geld genomen. Doa lag nog e kind in de wieg, dat wilden ze ook nog ophangen, mè toen lieten ze het liggen. Met ene man of tien van de familie hebben ze toen 't huis van de köster omsingeld. Ze gingen weer zo met twie en twie in... Met dattig man (= dertigen) van 't dorep zijn ze toen ingegaan - de Bokkerijers waren met twalef - en ze hebben ze overvallen. Ze hebben kleer (= kleren) van de wenning gehaald, en geld, en de buit van 't dorep. Toen hebben ze ze allemaal kapotgemaak(t). Dat was het einde van de Bokkerijers van Ulbeek.
Verzamelaar: M. Dreezen
Notulist: Katrien Van Effelterre
Taal: Limburgs (Tongeren en omstreken)
Corpus: MDREE.20E
Codering: 1106
Aard bron:Mondeling
Schriftbron: M. Dreezen, Leuven, 1967
Regio: Mal
Kloekenummer: Q180
Verteller: 601 Vertellersinfo
Datering:
Jaar: 1967
Relatieve Datering:
Aard getuigenis: fabulaat
Literair: nee
Subgenre: sage
Opmerkingen:

Trefwoorden

Motieven

Plaatsen

Namen

    Andere Eigennamen

      

      © Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven - engine & design: Maerlant Centre
      converted by: Philippe Le Comte