VVB - Vlaamse Volksverhalenbank
Terug naar de startpagina Wat is een sage? Achtergrond bij dit project Medewerkers Interessante links
Zoekscherm Wat is narratologie? Doelstellingen VVB Terminologie Contact
 
- Vlaamse Volksverhalenbank -

Verhaalfiche
ID: 3220
Nummer: WACHT0065-0068
Type: 3.1 Duivels
Omschrijving: Gevecht met de duivel - Gestalte van duivel in de deur gebrand
Verhaalopbouw: Drie vrienden uit Wimmertingen gingen vaak naar Diepenbeek om te vechten. Op een zondag vertoefde het drietal zoals gewoonlijk in café 'Het Planken weike'. Toen de mannen om middernacht nog steeds niet de kans hadden gekregen om te vechten, sprak één van hen: "Ik moet vandaag toch nog eens kunnen vechten, al was het met de duivel!" Wat verderop sprong er plots een beest op de rug van die man. Omdat het beest dat zich liet dragen alsmaar zwaarder en zwaarder werd, sprak de man geërgerd: "Als je niet snel vertrekt, dan zal ik je eens een lesje leren. Of je nu een hond of een duivel bent; ik val je aan!" Het beest wilde echter niet verdwijnen en werd zo zwaar dat de man op de grond viel. Toen de man besefte dat het beest wellicht de duivel was, zei hij: "Laat me toch maar los, duivel. Wat zou je immers met mij kunnen beginnen?" Omdat de woorden van de man geen effect hadden, begon hij te bidden tot het zweet van zijn gezicht druipte. Daarop sprong de vreemde verschijning van zijn rug. De man werd echter de hele weg door het Tomveld en door Mattes wei door het beest gevolgd. Bij zijn thuiskomst zei de man: "Nu zal je me toch niet langer achtervolgen! Als je durft binnen te komen, dan geef ik je een flinke afranseling!" Daarop viel het beest de man aan. Toen het gevecht in volle gang was, kwam de vader van de man naar buiten en zei: "Wat gebeurt hier nu ? Dat heb je jezelf waarschijnlijk weer op de hals gehaald! Het zal je leren!" De zoon bleef echter roepen: "Pa, kom me toch helpen!" Toen de vader naar buiten kwam, zag hij een lelijk beest in de gracht zitten. Nadat de man het beest tevergeefs met een mestvork had gestoken, gaf hij het op. Vader en zoon bleven bidden tot het beest uit de gracht kroop. Die nacht deed niemand in het huis een oog dicht. De volgende ochtend stond er een zwarte afdruk van het beest in de deur gebrand.
Verhaal: Dat waren drie kameraden en die waren zo wat aan de wilde kant. Graag een pintje drinken en die waren in de week al eens op gang en 's zondags dat was hun bestgevormde dag om bijeen op te trekken. En die waren afkomstig van Wimmertingen en die kwamen altijd naar Diepenbeek en daar vochten ze nogal graag. En dan stapten ze op en dan kwamen ze dwars door die kerkwegskes af en daar waren van die drejgaren zogezegd aan die kerkbaantjes waar de mensen maar niet de beesten konden doorgaan. En dan kwamen ze hier in 'Het Planken weike' heetten ze dat, dat was een cafeetje en dat lag zowat achterom en daar was het nogal dikwijls bolwerk 's zondags, daar gingen dan die naar toe. Maar daar was een geweldige forsige kerel bij, die moest kunnen vechten altijd. En ze waren zo'n half uur, drie kwartier daar en ze konden zo goed niet aan de gang komen en dan de ene eens gestoten tegen de andere en zo van dat maar ze hadden niet kunnen bolwerken die zondag. Toen zei hij toch: 'Vechten moet ik toch vandaag, ik kan mijn force niet uitgewerkt krijgen.' En op de lange duur, ja het was twaalf uur door, halféén. Nog maar eens geloerd, nog maar eens getaakt (= uitgedaagd), daar was niemand die wou tegen hem opstaan. Ze vertrokken van mekaar af en onder de baan zegt hij: 'Potverdekke', zegt hij, 'als de duivel mij tegen komt die pak ik ook,' zegt hij. En op zeker moment toen hij zat in die kerkwegskes, tussen het koren en zo, in een keer wordt hij iets gewaar achter hem en hij keek al eens om. Het werd zo warm achter hem en dat was zo aardig achter hem die stootte maar altijd tegen hem. Op de lange duur hing hij van achter op hem die kwam altijd loeren van achter zijn schouder. Maar wat is mij dan dat, dat is me toch zo zwaar. 'Gaat maar van mij af,' zei hij, 'of ik trek u er vanaf.' Maar een paar stappen verder begon dat nog zwaarder te wegen en op 't laatste werd dat zó zwaar en hij draait hem op een keer om: toen hing daar een beest van achter op hem. 'Manneke,' zei hij, 'als ge niet vertrekt dan maak ik dat ge 't laatste hebt hier vandaag,' zei hij. 'Ge kunt zijn wat ge wilt', zei hij. En hij draaide hem om maar die hing nog aan hem en hij snapt achter hem door en hij had hem vast, lelijk vies groosde (= grommen, knorren) dat beest en alles en daar zette hij hem aan 't vegen. Maar hij zo dikwijls tegen de grond als hij maar kon, dan weer boven hem, toch maar gehouwd. Op de lange duur: 'Potverdekke', zei hij, 'dat wordt me toch zo zwaar.' Die beest werd maar alle keren groter en op de lange duur lag hij tegen de grond en die beest ,die had hem vast. Hij kon niks niet meer van plaats en zweten dat hij deed! Toen op 't laaatste toen dacht hij: 'Heb ik nu iets kontrarie gezegd? Is het nu echt de duivel of wat zou dat zijn?' En toen kreeg hij een ander gedacht, toen zei hij: 'Laat me toch maar los.' 'Zeg', zei hij, 'duivel laat me toch maar los als gij de duivel zijt. Wat gaat ge met mij aanvangen? Doet me toch maar niet dood, en dat en dat, ik kan niet meer op en laat mij maar gerust, ge wordt zo zwaar.' En hij wist geen aanvang niet meer. Toen op 't laatste toen veranderde hij van gedacht, toen begon hij te bidden en hoe langer hij bad, hoe feller dat hij zweette. En op de langen duur toen liet de beest hem gerust, hij ging langs hem staan, hij kledderde (= klom) stillekens recht, begon te marcheren, marcheren... En toen kwam hij onder het Tomveld en toen dwars door Mattes wei en toen hij daar achter de haag kwam door de drejgaar: 'Zeg,' zei hij, 'nu zult ge toch wel achter mij uit blijven.' Die beest volgde hem maar op zijn hielen 'nu zult ge toch wel achter mij uit blijven', zei hij. En terwijl hij sprak, bad hij maar verder, hij bleef achter hem uit. En toen hij bijna aan zijn huis was: 'Zeg', zei hij, 'als ge nu durft bijkomen, dan pak ik u opnieuw', zei hij. En die beest, die vliegt van voor op hem en 't ondersteboven de talud in en toen liet hij een schreeuw uit en te zijnens kwamen ze uitgelopen. 'Help, help, help,' riep hij maar. En op 't laatste kwam zijn pa en die zegt: 'Wat is dan nu aan de gang, wat hebt ge dan nu aan de hand?' 'Dat hebt ge', zei hij, 'met de deugenieterij altijd. Ik heb al zo dikwijls gezegd dat ge uw handen overal moet vanaf houden', zei hij, 'nu krijgt ge klappen en dat is juist goed', zei hij. En hij riep: 'Pa, kom me toch helpen, pa, kom me toch helpen.' En de vader ging bij en het was donker, hè, het was na middernacht het was donker en toen zag hij hem met iets met poten aan in de gracht. Die dacht: dat is toch iets aardig. Hij riep op hulp en hij liep terug binnen en in die tijd hadden ze geen taslampen en toen kwam hij af met een lantaarn. De lantaarn bijgehaald en gelicht, toen zat hij met dat vies beest op hem. 'Wacht, godverdekke,' zei hij, 'ik zal de riek eens halen en ik zal u hier eens in uw knoken steken.' De vader liep binnen en hij kwam uit met de riek en hij stak. Maar zo dikwijls hij stak, hij dacht dat hij hem had maar dat bleef maar voortworstelen. 'Vader', zei hij, 'ik geloof dat het de duivel is', zei hij, 'bid maar mee met mij', zei hij, 'want we blijven dood', zei hij. En op de lange duur, de vader stak niet meer met de riek en begon ook te bidden. En op de lange duur kwam hij stillekens uit de gracht opgewerkt en ze gingen stillekens binnen. De beest bleef buiten en stijf van schrik de hele nacht, - de jongen durfde niet meer gaan slapen, - de hele nacht maar gebeden en maar gebeden. 's Anderendaags 's morgens toen ze opkwamen,; 'Dat is een raar geval', zei de vader, 'wat gij daar gisteren avond aan de hand gehad hebt.' 'Ja, vader', zei hij, ' en nu had ik gezegd: ik vecht al moet ik tegen de duivel vechten en ik geloof dat hij bij me geweest is.' 'Dat is krek goed', zei de vader, 'zo moet ge aankomen. Dan houdt ge uw handen ook van alleman af.' Ja, ze gingen buiten en toen ze buiten kwamen - vroeger jaren hadt ge een achteruit en een vooruit hè - en toen ze buiten kwamen, de jongen moest werken gaan en in die tijd was dat allemaal tevoet - hij kwam voor uitgegaan en keek om toen stond daar een grote zwarte beest op de deur. Die was daar helegans uitgebrand.
Verzamelaar: W. Achten
Notulist: Katrien Van Effelterre
Taal: Midden-Limburgs
Corpus: WACHT.20E
Codering: j''
Aard bron:Mondeling
Schriftbron: W. Achten, Leuven, 1971
Regio: Diepenbeek
Kloekenummer: Q71
Verteller: 637 Vertellersinfo
Datering:
Jaar: 1971
Relatieve Datering:
Aard getuigenis: fabulaat
Literair: nee
Subgenre: sage
Opmerkingen:

Trefwoorden

Motieven

Plaatsen

Namen

    Andere Eigennamen

    

    © Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven - engine & design: Maerlant Centre
    converted by: Philippe Le Comte