Terug naar de startpagina Wat is een sage? Achtergrond bij dit project Medewerkers Interessante links
Zoekscherm Wat is narratologie? Doelstellingen VVB Terminologie Contact
 
   
 

NARRATOLOGIE

Historisch perspectief

Als comparatieve empirische wetenschap heeft de volkskunde het volksverhaal steeds als een prioriteit beschouwd. In het spoor van de gebroeders Jacob (1785-1863) en Wilhelm Grimm (1786-1859), de gangmakers van de West-Europese volksverhaalstudie, zijn in alle Europese landen en daarbuiten onderzoekers aan het werk gegaan om vooral op het platteland volksverhalen uit de mondelinge traditie op te tekenen.

Toen men ontdekte dat veel sprookjes internationale vertelstof waren en dat zowel in Galicië als in Moldavië, Bretagne en overal elders mensen hun vrees voor o.m. “de kwade hand” en andere numineuze fenomenen ventileerden in heuse al dan niet zelf beleefde verhalen, die men sagen noemt, ontstond de vergelijkende volksverhaalstudie, die op haar beurt evolueerde tot een volwaardige volkskundige specialiteit: de narratologie.

De resultaten van deze verwetenschappelijking worden sinds jaar en dag geëxpliciteerd door de werking van internationale gremia zoals de International Society for Folk Narrative Research (opgericht in 1964 in Athene); het drietalige tijdschrift Fabula: Zeitschrift für Erzählforschung - Journal of Folktale Studies - Revue des Etudes sur le Conte Populaire (1958- ); het gigantische project Enzyklopädie des Märchens: Handwörterbuch zur historischen und vergleichenden Erzählforschung (1975-   ), dat o.m. door de Akademie der Wissenschaften zu Göttingen gesubsidieerd wordt; de International Society for Contemporary Legend Research (opgericht  in 1988); Contemporary Legend: Journal of the International Society for Contemporary Legend Research  (1991-   ) en Foaftale News: Newsletter of the International Society for Contemporary Legend Research (1985-   );  Europäische Märchengesellschaft (in 1956 in Rheine opgericht) en de Märchen-Stiftung Walter Kahn (opgericht in 1985 in Braunschweig) als uitgever van Märchenspiegel: Zeitschrift für internationale Märchenforschung und Märchenpflege (1990 -   ).

Het ligt voor de hand dat de volksverhaalstudie in de loop der jaren een grote evolutie heeft ondergaan. Terwijl onderzoekers aanvankelijk alleen oog hadden voor het verhaal als plot met zijn thema’s en motieven en voor de diverse soorten volksverhalen (de zgn. genres en subgenres), gaat de aandacht nu meer naar de verteller als performer van immaterieel cultureel erfgoed (van wie en waar heeft hij/zij de verhalen in kwestie geleerd?) en de context waarin die creatieve communicatie, nl. het vertellen, plaatsvindt. Het onderzoek is met andere woorden geëvolueerd van tekst naar context, wat meteen de cultuurhistorische en maatschappelijke relevantie van de volksverhaalstudie legitimeert. Het is dan ook onnodig erop te wijzen dat de uit de mondelinge overlevering geplukte volksverhalen veel meer zijn dan oudewijvenpraat. Integendeel, ze zijn dragers van allerlei betekenislagen, en naargelang van de context waarin ze circuleren en ge(re)produceerd worden, kunnen ze meerdere functies hebben. Deze belangrijke componenten (het verhaal als medium tot communicatie, zijn betekenis(sen) en multifunctionaliteit) maken van de volksverhaalstudie op zich  (inhoudelijk) een zeer gevarieerde en boeiende materie, die rekening houdend met (internationaal) verwoorde thema’s en motieven (armoede, rijkdom, afgunst, superioriteitsgevoel, domheid, agressie, taboes, enz.) uitermate fascineert. Vandaar het terechte belang dat de overheid aan verhalen in het algemeen en volksverhalen in het bijzonder begint te hechten. 

Volksverhaalstudie in Vlaanderen

(Voor een uitgebreider overzicht verwijzen we naar  S. Top, ‘Van “Grootmoederken” tot e-mail - Anderhalve eeuw volkssagenstudie in Vlaanderen’, in Volkskundige Kroniek: Driemaandelijks Mededelingenblad van de Federatie voor Volkskunde in Vlaanderen, 8, 2000, nr. 3, pp. 5-22)

Vanaf het begin (eerste helft van de 19de eeuw) heeft Vlaanderen ingespeeld op de internationale belangstelling voor orale tradities (verhalen en liederen). De jarenlange aanwezigheid van de Duitser Johann Wilhelm Wolf (1817-1855) in Vlaanderen heeft tot gevolg gehad dat onze gewesten meteen op de internationale volksverhalenkaart werden gemarkeerd. Als leerling van de Grimms heeft Wolf in de Lage Landen, maar vooral bij ons, volksverhalen (sagen, sprookjes, legenden, grappige vertelsels, anekdoten) opgetekend en gepubliceerd (Niederländische Sagen, 1843; Deutsche Märchen und Sagen, 1845). Pol De Mont (1857-1931), Alfons De Cock (1850-1921), Isidoor Teirlinck (1851-1934), Guido Gezelle (1830-1899), August Cuppens (1862-1924), Amaat Joos (1855-1937), Victor De Meyere (1873-1938) en veel anderen hebben het voorbeeld van Wolf gevolgd  en zijn in alle Vlaamse provincies zeer actief geweest op het gebied van verzamelen van mondelinge verhalen. Deze rijke oogst werd in de loop der jaren meestal gepubliceerd in boeken en tijdschriften, die in de grote bibliotheken van ons land geconsulteerd kunnen worden.

Toen de volkskunde als wetenschappelijke discipline opgenomen werd in de academische curricula van de universiteiten Gent (Paul De Keyser, 1891-1966) en Leuven (Karel C. Peeters, 1903-1975), vormde het volksverhaal, i.c. de sagenstudie, een zwaartepunt in het onderzoek. Tientallen studenten, vijf uit Gent en ongeveer honderd uit Leuven, hebben vanaf het begin der jaren 1940, maar vooral vanaf 1949 heel Vlaanderen uitgekamd op zoek naar volkssagen. Deze goed georganiseerde enquête op basis van intensief veldwerk (interviewmethode) heeft een enorme schat aan orale volkscultuur opgeleverd. Deze mondelinge verhalen zijn opgeslagen in zowat honderd licentiaatsverhandelingen, die, naast ander uniek bronnenmateriaal (zie S. Top,  ‘Een kwarteeuw (1975-2000) volkskundige enquêtes aan de Katholieke Universiteit Leuven’, in Volkskundige Kroniek: Driemaandelijks Mededelingenblad van de Federatie voor Volkskunde in Vlaanderen, 8, 2000, nr. 4, pp. 5-34), berusten in het archief van het Seminarie voor Volkskunde van de K.U.Leuven. Daar de meeste van deze eindwerken nog niet gepubliceerd zijn, was dit uiterst waardevolle en unieke materiaal tot op heden niet toegankelijk voor het grote publiek.

De volksverhaalcollectie van het Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven

De onderzoekseenheid Volkskunde behoort tot de Afdeling Nederlandse Literatuur en Volkskunde, die op haar beurt deel uitmaakt van het Departement Literatuurwetenschap. De keuze voor dit departement houdt rechtstreeks verband met het feit dat het volksverhaal steeds een zwaartepunt is geweest in de volkskundige onderzoekstraditie van de K.U.Leuven.

De deelbibliotheek Volkskunde, opgenomen in de bibliotheek van het Departement Literatuurwetenschap, bevat onder meer alle belangrijke gepubliceerde volksverhaalverzamelingen uit België en Nederland - daarnaast ook heel wat uit Duitsland en Frankrijk - , en dit zowel in boek- als in tijdschriftvorm.

In een afzonderlijke ruimte, die niet toegankelijk is voor de gewone bezoeker, bevinden zich de volkskundige licentiaatsverhandelingen, die per onderwerp zijn geordend (verhaal, lied, rituelen, feestcultuur, volksgeneeskunde, enz.). Daarvan zijn er een honderdtal gewijd aan “sagenmotieven” (vroeger) of “mondeling overgeleverd cultureel erfgoed” (nu). De oudste Leuvense volkssagenverzameling dateert uit 1943 (A. De Haes). In 2002 zijn er nog zes afstudeerscripties gerealiseerd over oude en eigentijdse heksensagen (in de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant). Het sagenonderzoek wordt dus nog steeds gecontinueerd.

De oudere verzamelingen bevatten haast uitsluitend volkssagen, die door middel van veldwerk werden opgetekend. Deze volkssagen vallen grosso modo uiteen in vier subcategorieën: sagen die behoren tot de geesten- en de toverwereld, de duivelssagen en de historische sagen. Deze tienduizenden fabulaten, memoraten en relicten zijn meestal geordend volgens het plan-Sinninghe (zie J.R.W. Sinninghe, Katalog der niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten, Helsinki 1943 [FFC 132]).

Toen de homo narrans vanaf de jaren 60 een meer centrale positie verwierf in de volksverhaalstudie, werd het verzamelde materiaal per verteller gepresenteerd. Zo kreeg  de vertelstijl meer aandacht en trad ook het repertoire van de desbetreffende informant meer op de voorgrond.

Een derde belangrijke stap in het onderzoek naar mondelinge overleveringen werd gezet doordat de belangstelling verruimde naar wat we vanaf 1979 “cultureel erfgoed” zijn gaan noemen. Aldus werd afgestapt van de enge interpretatie van volksverhaal en kwam er plaats vrij voor alle mogelijke vormen van vertelstof die de traditionele vertelcanon overschrijden. Vanaf dat moment werden alle interviews integraal op band/cassette geregistreerd en zo volledig mogelijk getranscribeerd. Aldus ontstond tevens een uniek audio-archief, dat honderden vertellers uit Vlaanderen laat horen. Voor meer achtergrond rond deze benadering zie H. Schoefs, ‘Enkele methodologische en andere bedenkingen bij het moderne volksverhaalonderzoek. Een handleiding voor jonge vorsers’, in Volkskunde, 98, 1997, pp. 73-109. Ze behandelt daarin haar ervaringen en resultaten van haar veldwerk in Groot-Riemst.

Inzake sagenstudie vermelden we nog dat twee studenten in de laatste jaren ook gewerkt hebben over moderne sagen, de zgn. urban legends, en dat voor 2003 nog een paar studies aan dit vertelgenre worden gewijd.

Naast de traditionele en moderne sagenverzamelingen herbergt het Leuvense Seminarie voor Volkskunde ook nog vier uitgebreide moppencollecties, geregistreerd bij kinderen (2) en volwassenen (2). Bovendien  zijn er nog een vijftal legendestudies  totstandgekomen.

De totale omvang van de Leuvense volksverhalencollectie ramen we op ongeveer 100000 nummers. Dit is beslist de grootste van het land. Ruim 90% van dit materiaal zijn sagen. 95% daarvan is nog niet gepubliceerd en derhalve zeer moeilijk consulteerbaar. In principe krijgen alleen studenten, doctorandi en gekwalificeerde onderzoekers toegang tot deze waardevolle en unieke collectie. De realisatie van het  project ‘Op verhaal komen’  moet hierin verandering brengen.

Aanvullende literatuur

        K.C. Peeters, ‘Sagenonderzoek aan de Leuvense universiteit’, Volkskunde 61 (1960) 11-20

        K.C. Peeters, ‘Resultaten van het sagenonderzoek in het Nederlands taalgebied’, Volkskunde 66 (1965) 106-125

        A. Roeck, ‘Nieuwe Werkmethode bij het Vlaams Sagenonderzoek’, Handelingen van het twintigste Vlaams Filologencongres, Antwerpen, 1953, 219-228

        S. Top, ‘Sagenproblematiek anno 1969. Vernieuwing of stagnatie?’, Volkskunde 70 (1969) 123-165

        S. Top, ‘Van motief en type tot de studie van context en repertoire - Het (Leuvense) volksverhaalonderzoek nu’, Volkskunde 80 (1979) 99-128

        M. Van den Berg, ‘Anderhalve eeuw sagenlectuur in Vlaanderen’, Ethnologia Flandrica 6 (1990) 7-32

  © Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven