Terug naar de startpagina Wat is een sage? Achtergrond bij dit project Medewerkers Interessante links
Zoekscherm Wat is narratologie? Doelstellingen VVB Terminologie Contact
 
   

  1. Identificatienummer
  2. Nummer
  3. Type
  4. Omschrijving
  5. Verzamelaar
  6. Notulist
  7. Taal
  8. Corpus
  9. Codering
  10. Aard bron
  11. Schriftbron
  12. Regio
  13. Kloekenummer
  14. Verteller
  15. Datering
  16. Jaar
  17. Relatieve datering
  18. Aard getuigenis
  19. Literair
  20. Subgenre
  21. Verhaalopbouw
  22. Opmerkingen
  23. Motief
  24. Trefwoord
  25. Verwijscode
  26. Persoonsnaam
  27. Plaatsnaam
  28. Andere eigennamen

TOELICHTINGEN BIJ DE GEBRUIKTE TERMINOLOGIE

Identificatienummer :

Aan elke treffer wordt automatisch een identificatienummer toegekend, dat niet zozeer voor de gebruikers, dan wel voor de interne medewerkers van belang is. 

Nummer :

In dit veld vindt men een code van de vorm FBECK0089-0090.  Deze code heeft betrekking op de verhandeling waarin het verhaal werd opgetekend.  Het lettergedeelte bevat één initiaal van de voornaam van de student en de eerste vier letters van zijn / haar familienaam.  Het cijfergedeelte verwijst naar de paginanummering van de verhandeling.  FBECK0089-0090 betekent m.a.w. dat men verhaal x kan weervinden op de pagina’s 89 en 90 van de verhandeling die werd geschreven door Fernand Beckers. 

Type :

Dit veld heeft betrekking op de thematische classificatie van sagen zoals die werd voorgesteld door J.R.W. Sinninghe in Katalog der niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten, Helsinki, 1943. 

We onderscheiden volgende types :

1. Demonensagen :

1.1 Watergeesten

1.2 Aardgeesten

1.3 Vuurgeesten

1.4 Luchtgeesten

1.5 Plaaggeesten

1.6 Weerwolven

2. Toversagen :

2.1 Heksen

2.2 Tovenaars

2.3 Toverboeken

3. Duivelssagen :

3.1 Duivels

3.2 Vrijmetselaars

4. Historische sagen

 

5. Sagen - legenden

 

6. Sagen - sprookjes

 

7. Sprookjes

 

8. Legenden

 

Type 5 en 6 worden in het werk van Sinninghe uiteraard niet bij de sagen geclassificeerd, omdat dergelijke verhalen in wezen geen sagen zijn.  Toch vonden wij het raadzaam om deze twee categorieën aan ons classificatiesysteem toe te voegen.  Dit verhalencorpus bevat namelijk een klein aantal teksten, die strikt genomen tot het genre van de sprookjes behoren of balanceren op de grens tussen sage en legende. 

Omschrijving :

De omschrijving van een treffer is identiek aan de titel die de student in zijn verhandeling aan het verhaal heeft gegeven. 

Verzamelaar :

In dit veld wordt de naam vermeld van de student die het verhaal heeft opgetekend. 

Notulist :

De notulist is de persoon die het verhaal bestudeert en op basis daarvan de informatiepagina voor de treffer invult. 

Taal :

Dit veld heeft betrekking op het dialect waarin de student het verhaal heeft gerecipieerd en/of opgetekend. 

Corpus :

In dit veld vindt men een code zoals bijvoorbeeld FBECK.20E.  Het eerste gedeelte van deze code verwijst naar de student-auteur, die de verhandeling waaruit de treffer komt, heeft geschreven.  Het tweede gedeelte verwijst naar de eeuw waarin de verhandeling tot stand is gekomen.  Dat tweede gedeelte is van belang, aangezien ook verhandelingen uit de 21ste eeuw in de databank zullen worden opgenomen. 

Codering :

Het veld Codering wordt enkel ingevuld indien de student in zijn verhandeling een bepaalde code geeft aan het verhaal.  Dat is veelal het geval wanneer er van eenzelfde verhaal één of meerdere varianten werden opgetekend; men spreekt dan bijvoorbeeld over verhaal a), b), c),… of over A, A’, A’’ of over Variant 1, Variant 2, enzovoort.  De vermelding van deze codering is in de eerste plaats van belang wanneer een gebruiker de tekst van een verhaal wil bekijken in de oorspronkelijke versie, d.w.z. in de versie waarin de student het verhaal heeft opgetekend.  In de tweede plaats geldt de codering voor de interne medewerkers als een ondubbelzinnige verwijzing naar een bepaald verhaal.  In de derde plaats zou de codering ook van cruciaal belang kunnen zijn indien men in de toekomst de volledig uitgeschreven teksten van de verhalen aan de treffers uit deze databank wil koppelen. 

Aard bron :

In dit veld wordt vermeld of het verhaal door een mondelinge (M) of door een schriftelijke (S) bron aan de betrokken student werd gecommuniceerd. 

Schriftbron :

De verhandeling waaruit het verhaal komt dat met de treffer correspondeert, wordt de schriftbron genoemd.  Dit veld bevat de naam van de student en de plaats en de datum waarop de verhandeling werd ingediend.  Bijvoorbeeld: F. Beckers, Leuven, 1947 . 

Regio :

Het veld Regio verwijst naar de woonplaats van de persoon die het verhaal aan de betrokken student heeft verteld.  Deze regio kan veelal in verband worden gebracht met de meestal hypothetische regio waarin het verhaal destijds werd verteld. 

Kloekenummer :

Het Kloekenummer is intrinsiek verbonden met de geografische situering die in het veld Regio wordt gegeven.  Het Kloekenummer stemt overeen met de code die G.G. Kloeke aan de plaatsnamen toekent, en die te vinden is in Systematisch en alfabetisch register van plaatsnamen voor Nederland, de Nederlands-sprekende delen van België en Noord-Frankrijk en het noordwesten der Duitse Bondsrepubliek, Amsterdam - Antwerpen, 1962.  Zo krijgt de plaats Sint-Truiden bijvoorbeeld het nummer P176. 

Verteller :

Onder ‘verteller’ verstaan we de persoon die het verhaal aan de betrokken student heeft verteld. 

Datering :

In dit veld wordt de datum (d.w.z. de kalenderdag en de maand) genoteerd, waarop de informant het verhaal aan de student heeft verteld. 

Jaar :

In dit veld wordt het jaartal genoteerd, waarop de informant het verhaal aan de student heeft verteld. 

Relatieve datering :

Dit veld houdt verband met de temporele situering die de informant zelf aan zijn verhaal geeft.  Uiteraard is dat niet steeds een eenvoudige zaak.  Wanneer een informant bijvoorbeeld zegt dat een bepaald verhaal zich heeft afgespeeld tijdens de Eerste Wereldoorlog, is dat weliswaar een objectieve temporele aanduiding.  Wanneer een informant echter beweert dat een verhaal zich ‘al lang geleden’ heeft afgespeeld, blijft het gissen.  Dergelijke aanduidingen worden dan ook niet opgenomen in het veld Relatieve datering.  Nochtans vonden we het nuttig om dit veld in onze databank op te nemen.  Er bestaat qua temporele situering immers een duidelijk verschil tussen een verhaal over een gebeurtenis die onlangs bij een kennis van de informant plaats heeft gehad, en een verhaal dat de informant nog van zijn overgrootvader heeft gehoord.  Uiteraard dient men zich bewust te zijn van het feit dat de informanten zich soms niet meer precies herinnerden van wie ze het verhaal hadden gehoord.  Bovendien kan een overgrootvader van wie de informant het verhaal hoorde, deze verhaalstof op zijn beurt van een voorouder hebben overgenomen.  De temporele situering die in dit veld wordt gegeven, is dus in meer dan één opzicht als ‘relatief’ te interpreteren. 

Aard getuigenis :

In dit veld wordt een onderscheid gemaakt tussen verhalen over gebeurtenissen die de informant zelf heeft meegemaakt en verhalen over gebeurtenissen die de informant van iemand anders heeft vernomen.  De eerste categorie wordt aangeduid met de term ‘memoraat’, de tweede met de term ‘fabulaat’. 

Literair :

In dit veld wordt met ‘ja’ of ‘neen’ aangegeven of het verhaal al dan niet een literaire tekst is.  Voor de sagen is dat veelal niet het geval. 

Subgenre :

De meeste verhalen uit het corpus vallen onder het subgenre ‘sage’, hoewel er ook een aantal verhalen zijn, die tot de ‘sprookjes’ of tot de ‘legenden’ moeten worden gerekend of tot overgangsvormen behoren.

Verhaalopbouw :

In dit veld wordt een korte samenvatting gegeven van de inhoud van het verhaal. 

Opmerkingen :

Zaken die de student heeft genoteerd m.b.t. de context waarin het verhaal werd verteld, de kanttekeningen die bij de verhaalde gebeurtenissen werden gegeven, kranten of tijdschriften waarin het verhaal is verschenen, enzovoort, worden hier opgenomen.

Motief :

De motieven die in het verhaal voorkomen, worden aangeduid door een code zoals Sinninghe die heeft voorgesteld in zijn classificatie Katalog der niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten, Helsinki, 1943.  Zo krijgt bijvoorbeeld het motief van ‘de verstoorde heksenbijeenkomst’ de code SIN0503. 

Trefwoord :

In dit veld worden een aantal woorden opgenomen, die de gebruiker van de databank kunnen helpen bij het zoeken naar verhalen over bepaalde thema’s. 

Verwijscode :

Deze code verwijst naar een aantal werken waarin een gedeelte van de verhalen uit ons corpus werden gepubliceerd.  Dat kan van belang zijn indien de gebruiker de verhalen in hun volledig uitgeschreven vorm wil raadplegen.  Aangezien de gebruikers geen toegang hebben tot de verhandelingen van de studenten, is het nuttig naar deze publicaties te verwijzen.  Voor de provincie Limburg baseren we ons op F. Roeck, Volksverhalen uit Belgisch Limburg, Utrecht-Antwerpen, 1980.  Voor Vlaams-Brabant op: S. Top, Volksverhalen uit Vlaams Brabant, Utrecht-Antwerpen, 1982.  Voor Oost- en West-Vlaanderen op: R. Van der Linden en L. Cumps, Volksverhalen uit Oost- en West-Vlaanderen, Utrecht-Antwerpen, 1979 en H. Stalpaert, Westvlaams sagenboek, Blankenberge, 1968-1969, 2 vol. 

Daarnaast wordt ook verwezen naar de volgende gepubliceerde licentiaatsverhandelingen:

Cumps, L.K., Gecommentarieerde sagenverzameling uit de streek van Z-Brugge en omgeving, Tielt, Veys, 1970

Devynck, A.M., Sagen weerszijden de schreve van Oost-Cappel tot Winnezele van Beveren tot Watou, Nieuwpoort, Bachten De Kupe, 1967

De verwijscode bevat de naam van de auteur en de paginanummers die verwijzen naar de plaats waar het verhaal werd opgenomen.  Bijvoorbeeld : FROECK126-127. 

Persoonsnaam :

Dit veld -alleen voor intern gebruik- bevat alle namen en bijnamen van personen, die in het verhaal voorkomen.

Plaatsnaam :

Dit veld bevat alle plaatsnamen (namen van dorpen, steden, straten, pleintjes, weggetjes, enzovoort) die in het verhaal voorkomen. 

Andere eigennamen :

Dit veld bevat eigennamen die in het verhaal voorkomen, maar die niet onder de categorie Persoonsnaam of Plaatsnaam kunnen worden gerekend.  Concreet gaat het dan bijvoorbeeld om namen van kloosterordes, herbergen, informele benamingen voor bepaalde plaatsen, enzovoort. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  © Seminarie voor Volkskunde K.U.Leuven