TOELICHTINGEN BIJ DE GEBRUIKTE TERMINOLOGIE
Identificatienummer :
Aan elke treffer wordt automatisch een identificatienummer toegekend,
dat niet zozeer voor de gebruikers, dan wel voor de interne medewerkers
van belang is.
Nummer :
In dit veld vindt men een code van de vorm FBECK0089-0090. Deze
code heeft betrekking op de verhandeling waarin het verhaal werd
opgetekend. Het lettergedeelte bevat één initiaal van de voornaam
van de student en de eerste vier letters van zijn / haar familienaam.
Het cijfergedeelte verwijst naar de paginanummering van de verhandeling.
FBECK0089-0090 betekent m.a.w. dat men verhaal x kan weervinden
op de pagina’s 89 en 90 van de verhandeling die werd geschreven
door Fernand Beckers.
Type :
Dit veld heeft betrekking op de thematische classificatie van
sagen zoals die werd voorgesteld door J.R.W. Sinninghe in Katalog
der niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten,
Helsinki, 1943.
We onderscheiden volgende types :
|
1. Demonensagen :
|
1.1 Watergeesten
1.2 Aardgeesten
1.3 Vuurgeesten
1.4 Luchtgeesten
1.5 Plaaggeesten
1.6 Weerwolven
|
|
2. Toversagen :
|
2.1 Heksen
2.2 Tovenaars
2.3 Toverboeken
|
|
3. Duivelssagen :
|
3.1 Duivels
3.2 Vrijmetselaars
|
|
4. Historische sagen
|
|
|
5. Sagen - legenden
|
|
|
6. Sagen - sprookjes
|
|
|
7. Sprookjes
|
|
|
8. Legenden
|
|
Type 5 en 6 worden in het werk
van Sinninghe uiteraard niet bij de sagen geclassificeerd, omdat
dergelijke verhalen in wezen geen sagen zijn. Toch vonden wij
het raadzaam om deze twee categorieën aan ons classificatiesysteem
toe te voegen. Dit verhalencorpus bevat namelijk een klein aantal
teksten, die strikt genomen tot het genre van de sprookjes behoren
of balanceren op de grens tussen sage en legende.
Omschrijving :
De omschrijving van een treffer is identiek aan de titel die
de student in zijn verhandeling aan het verhaal heeft gegeven.
Verzamelaar :
In dit veld wordt de naam vermeld van de student die het verhaal
heeft opgetekend.
Notulist :
De notulist is de persoon die het verhaal bestudeert en op basis
daarvan de informatiepagina voor de treffer invult.
Taal :
Dit veld heeft betrekking op het dialect waarin de student het
verhaal heeft gerecipieerd en/of opgetekend.
Corpus :
In dit veld vindt men een code zoals bijvoorbeeld FBECK.20E.
Het eerste gedeelte van deze code verwijst naar de student-auteur,
die de verhandeling waaruit de treffer komt, heeft geschreven.
Het tweede gedeelte verwijst naar de eeuw waarin de verhandeling
tot stand is gekomen. Dat tweede gedeelte is van belang, aangezien
ook verhandelingen uit de 21ste eeuw in de databank zullen worden
opgenomen.
Codering :
Het veld Codering wordt enkel ingevuld indien de student in zijn
verhandeling een bepaalde code geeft aan het verhaal. Dat is
veelal het geval wanneer er van eenzelfde verhaal één of meerdere
varianten werden opgetekend; men spreekt dan bijvoorbeeld over
verhaal a), b), c),… of over A, A’, A’’ of over Variant 1, Variant
2, enzovoort. De vermelding van deze codering is in de eerste
plaats van belang wanneer een gebruiker de tekst van een verhaal
wil bekijken in de oorspronkelijke versie, d.w.z. in de versie
waarin de student het verhaal heeft opgetekend. In de tweede
plaats geldt de codering voor de interne medewerkers als een ondubbelzinnige
verwijzing naar een bepaald verhaal. In de derde plaats zou de
codering ook van cruciaal belang kunnen zijn indien men in de
toekomst de volledig uitgeschreven teksten van de verhalen aan
de treffers uit deze databank wil koppelen.
Aard bron :
In dit veld wordt vermeld of het verhaal door een mondelinge
(M) of door een schriftelijke (S) bron aan de betrokken student
werd gecommuniceerd.
Schriftbron :
De verhandeling waaruit het verhaal komt dat met de treffer correspondeert,
wordt de schriftbron genoemd. Dit veld bevat de naam van de student
en de plaats en de datum waarop de verhandeling werd ingediend.
Bijvoorbeeld: F. Beckers, Leuven, 1947 .
Regio :
Het veld Regio verwijst naar de woonplaats van de persoon die
het verhaal aan de betrokken student heeft verteld. Deze regio
kan veelal in verband worden gebracht met de meestal hypothetische
regio waarin het verhaal destijds werd verteld.
Kloekenummer :
Het Kloekenummer is intrinsiek verbonden met de geografische
situering die in het veld Regio wordt gegeven. Het Kloekenummer
stemt overeen met de code die G.G. Kloeke aan de plaatsnamen toekent,
en die te vinden is in Systematisch en alfabetisch register
van plaatsnamen voor Nederland, de Nederlands-sprekende delen
van België en Noord-Frankrijk en het noordwesten der Duitse Bondsrepubliek,
Amsterdam - Antwerpen, 1962. Zo krijgt de plaats Sint-Truiden
bijvoorbeeld het nummer P176.
Verteller :
Onder ‘verteller’ verstaan we de persoon die het verhaal aan
de betrokken student heeft verteld.
Datering :
In dit veld wordt de datum (d.w.z. de kalenderdag en de maand)
genoteerd, waarop de informant het verhaal aan de student heeft
verteld.
Jaar :
In dit veld wordt het jaartal genoteerd, waarop de informant
het verhaal aan de student heeft verteld.
Relatieve datering :
Dit veld houdt verband met de temporele situering die de informant
zelf aan zijn verhaal geeft. Uiteraard is dat niet steeds een
eenvoudige zaak. Wanneer een informant bijvoorbeeld zegt dat
een bepaald verhaal zich heeft afgespeeld tijdens de Eerste Wereldoorlog,
is dat weliswaar een objectieve temporele aanduiding. Wanneer
een informant echter beweert dat een verhaal zich ‘al lang geleden’
heeft afgespeeld, blijft het gissen. Dergelijke aanduidingen
worden dan ook niet opgenomen in het veld Relatieve datering.
Nochtans vonden we het nuttig om dit veld in onze databank op
te nemen. Er bestaat qua temporele situering immers een duidelijk
verschil tussen een verhaal over een gebeurtenis die onlangs bij
een kennis van de informant plaats heeft gehad, en een verhaal
dat de informant nog van zijn overgrootvader heeft gehoord. Uiteraard
dient men zich bewust te zijn van het feit dat de informanten
zich soms niet meer precies herinnerden van wie ze het verhaal
hadden gehoord. Bovendien kan een overgrootvader van wie de informant
het verhaal hoorde, deze verhaalstof op zijn beurt van een voorouder
hebben overgenomen. De temporele situering die in dit veld wordt
gegeven, is dus in meer dan één opzicht als ‘relatief’ te interpreteren.
Aard getuigenis :
In dit veld wordt een onderscheid gemaakt tussen verhalen over
gebeurtenissen die de informant zelf heeft meegemaakt en verhalen
over gebeurtenissen die de informant van iemand anders heeft vernomen.
De eerste categorie wordt aangeduid met de term ‘memoraat’, de
tweede met de term ‘fabulaat’.
Literair :
In dit veld wordt met ‘ja’ of ‘neen’ aangegeven of het verhaal
al dan niet een literaire tekst is. Voor de sagen is dat veelal
niet het geval.
Subgenre :
De meeste verhalen uit het corpus vallen onder het subgenre ‘sage’,
hoewel er ook een aantal verhalen zijn, die tot de ‘sprookjes’
of tot de ‘legenden’ moeten worden gerekend of tot overgangsvormen
behoren.
Verhaalopbouw :
In dit veld wordt een korte samenvatting gegeven van de inhoud
van het verhaal.
Opmerkingen :
Zaken die de student heeft genoteerd m.b.t. de context waarin
het verhaal werd verteld, de kanttekeningen die bij de verhaalde
gebeurtenissen werden gegeven, kranten of tijdschriften waarin
het verhaal is verschenen, enzovoort, worden hier opgenomen.
Motief :
De motieven die in het verhaal voorkomen, worden aangeduid door
een code zoals Sinninghe die heeft voorgesteld in zijn classificatie
Katalog der niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen-
und Legendenvarianten, Helsinki, 1943. Zo krijgt bijvoorbeeld
het motief van ‘de verstoorde heksenbijeenkomst’ de code SIN0503.
Trefwoord :
In dit veld worden een aantal woorden opgenomen, die de gebruiker
van de databank kunnen helpen bij het zoeken naar verhalen over
bepaalde thema’s.
Verwijscode :
Deze code verwijst naar een aantal werken waarin een gedeelte
van de verhalen uit ons corpus werden gepubliceerd. Dat kan van
belang zijn indien de gebruiker de verhalen in hun volledig uitgeschreven
vorm wil raadplegen. Aangezien de gebruikers geen toegang hebben
tot de verhandelingen van de studenten, is het nuttig naar deze
publicaties te verwijzen. Voor de provincie Limburg baseren we
ons op F. Roeck, Volksverhalen uit Belgisch Limburg, Utrecht-Antwerpen,
1980. Voor Vlaams-Brabant op: S. Top, Volksverhalen uit
Vlaams Brabant, Utrecht-Antwerpen, 1982. Voor Oost- en West-Vlaanderen op:
R. Van der Linden en L. Cumps, Volksverhalen uit Oost- en West-Vlaanderen,
Utrecht-Antwerpen, 1979 en H. Stalpaert, Westvlaams sagenboek,
Blankenberge, 1968-1969, 2 vol.
Daarnaast wordt ook verwezen naar de volgende gepubliceerde licentiaatsverhandelingen:
Cumps, L.K., Gecommentarieerde sagenverzameling uit de streek van Z-Brugge en omgeving, Tielt, Veys, 1970
Devynck, A.M., Sagen weerszijden de schreve van Oost-Cappel tot Winnezele van Beveren tot Watou, Nieuwpoort, Bachten De Kupe, 1967
De verwijscode bevat de naam van de auteur en de paginanummers
die verwijzen naar de plaats waar het verhaal werd opgenomen.
Bijvoorbeeld : FROECK126-127.
Persoonsnaam :
Dit veld -alleen voor intern gebruik- bevat alle namen en bijnamen
van personen, die in het verhaal voorkomen.
Plaatsnaam :
Dit veld bevat alle plaatsnamen (namen van dorpen, steden, straten,
pleintjes, weggetjes, enzovoort) die in het verhaal voorkomen.
Andere eigennamen :
Dit veld bevat eigennamen die in het verhaal voorkomen, maar die niet onder
de categorie Persoonsnaam of Plaatsnaam kunnen worden gerekend.
Concreet gaat het dan bijvoorbeeld om namen van kloosterordes,
herbergen, informele benamingen voor bepaalde plaatsen, enzovoort.
|