| Verhaalopbouw: |
Toen de leider van de bokkenrijders, werd opgehangen, mocht hij nog een laatste wens doen. Daarop sprak de man: "Ik zou nog wat moeten bidden". De man maakte een kruisteken en zei in het Bargoens: "Mannen en vrouwen, jongens en meisjes, ze hebben mij opgepakt en daarom moet ik nu sterven. Niets aan te doen. Het geld ligt in de kelder onder een steen van de onderste trede. Eet en drink maar goed, want ik ga naar het pierenland. Amen". |