| Verhaalopbouw: |
In een holle weg in Melveren zat vroeger een weerwolf. Op een dag wandelde X, een jongeman van vijfentwintig, door de holle weg, toen er plots een weerwolf op zijn rug sprong. De poten van het dier leken op die van een kalf. X wist van zijn moeder dat hij het Sint-Jansevangelie moest bidden om de weerwolf kwijt te raken. En inderdaad, het dier verdween. Toen de jongeman bevend van schrik thuiskwam, liet hij zich onmiddellijk door zijn moeder met wijwater besprenkelen. Zijn moeder, die afkomstig was van Zepperen, had ooit ook eens een weerwolf gezien. Nadat ze hulp was gaan halen, hadden enkele mannen het dier met een sikkel verwond. Toen de weerwolf bloed verloor, nam hij weer zijn menselijke gedaante aan. Het bleek een man van Zepperen te zijn. |